“Je hebt veel meegemaakt de afgelopen dagen,” zegt hij met een serieuze blik.
“Ja,” is alles wat ik daarop kan zeggen. Ondertussen bestudeer ik de manier waarop de man achter de tafel voor mij feilloos opgaat in het meubilair van de kamer. Het is een studeerkamer, donkerbruin met wat kunst aan de muur. Of wat ervoor door moet gaan althans. Zijn ernstige ogen weerkaatsen de inhoud van de geleerde boeken die bijna tot plafondhoogte een hele wand bedekken.
“Hoe voel je je daar nu onder?” vraagt hij een tijdje later. Er lijken minuten verstreken, alsof hij me even de tijd gaf aan de ruimte te wennen. Maar mijn gedachten kan de man toch niet lezen, anders hoefde hij geen vragen meer te stellen.
“Er zit een dode baby in mijn buik,” antwoord ik. En hoewel het geen antwoord is op de vraag die hij stelde, is dit het enige dat in mij opkomt. “Hij is al een paar weken dood, zeggen ze,” vul ik mijn stelling aan.

Achter het peinzende gezicht van de geleerde man lijkt zich een schouwspel van tandwielen en andere machinerie af te spelen. Dit is de persoon die mij het gereedschap moet geven om de dag van morgen te overleven. Om een onmogelijke klus te klaren. De werkelijkheid van deze absurde situatie in de ogen te kijken. Maar in plaats daarvan kaatst hij de bal terug en stelt in andere bewoordingen precies dezelfde vraag: “En, wat doet dat met je?”
Ik kan en wil geen antwoord formuleren op die vraag. Het doet helemaal niet ter zake hoe ik mij voel. Voelen is een luxe-emotie. Iets voor mensen die geen dode uit hun lijf hoeven te persen.
“Alsof alles zwart is,” zeg ik om ervan af te zijn.
Hij zegt: “doodsangst.”
En ja, dat is het, doodsangst. Zo voelt het als je wereld vergaat. “Alsof ik morgen naar de hel moet en weer terug,” bevestig ik.
“Ben je gelovig?” is de vreemde wedervraag.
Hmmm, tja, uhmm, lastig. “Ik geloof wel dat er iets is, misschien een soort van collectief bewustzijn of zo.”
Hij aarzelt even. “Weet je, vroeger zei men dat je het kruis krijgt dat je kunt dragen.”
Iets om over na te denken. Er zijn ook mensen die hun kruis niet kunnen dragen, die eraan onderdoor gaan. Als iemand zichzelf niet meer is, geen levensvreugde meer heeft of zich zelfs zijn eigen leven ontneemt, dan kan diegene zijn bagage toch overduidelijk niet aan? De vraag is tot welke groep ik behoor. Dat zal in de toekomst wel blijken.

Hij gaat even achterover zitten en laat mij het denkwerk doen. Niet dat dit goed lukt want het is ongelofelijk mistig in mijn hoofd. Ik kom er gewoon niet doorheen, kan de realiteit niet bevatten. En het klinkt ongelofelijk cliché, maar ik wil gewoon dat iemand mij wakker maakt uit deze boze droom. Twee dagen na het nieuws heb ik die hoop nog steeds. Ik heb me zelfs meerdere malen geknepen om te kijken of dat zou werken. Zo ongeloofwaardig is de werkelijkheid.

Nooit haalde ik het in mijn hoofd om de bijbel ergens mee naartoe te nemen. Maar voor een reisje naar de hel kon ik zo gauw geen toepasselijker literatuur bedenken. Dus halen we er de volgende ochtend eentje op onderweg naar het ziekenhuis. Ik heb het boek niet open gehad.

 

Onbewerkt fragment uit: ‘Kusje in de wind: Een onmogelijk afscheid’

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s