Daphne en Lewi* ‘Liever bij mij…’ #2

LewiHallo, mijn naam is Daphne Neutelings en sinds 8 december 2011 ben ik mama van een engeltje genaamd Lewi*. Daarnaast heb ik nog 2 zoontjes, Seth (2010) en Vinn (2012). Samen met hen en mijn partner Rob Boesten woon ik in Geleen, in het zuiden van het land.

De reden dat ik mee doe met het project Liever bij mij… is omdat ik vind dat een overleden kindje nog steeds een enorm taboe is.

Lees verder

Het gevecht met de tijd die verstrijkt

Het is alweer even geleden dat ik een fragment deelde uit ‘Kusje in de wind’ en een van de redenen daarvoor is dat ik het gewoon ontzettend druk heb gehad met de puntjes op de i voor de publicatie. Alle teksten nog eens nalopen, het laatste commentaar van proeflezers verwerken, zaken regelen rondom de cover, heen en weer mailen met de drukker; en allerlei aanverwante zaken als: boekenleggers ontwerpen, de Facebookpagina bijhouden, reserveringen verwerken, engeltjes verzorgen voor bij het boek en mailen met vlinderouders die mee willen doen aan het project ‘liever bij mij…’. De komende weken komen daar nog een persbericht en allerlei andere formele zaken achteraan, dus ik ben er nog wel even zoet mee. 🙂

Er is echter nog iets anders dat mij bezig houdt en dat is een tijd die voorgoed in mijn geheugen gegrift staat. Een week in het jaar waar ik eigenlijk liever niet naartoe wil, omdat het verlies van mijn kindje dan plots weer zo dichtbij is. En zo komt het, dat januari voor mij ieder jaar een soort gevecht tegen de klok is, dat ik niet vooruit wil, maar liefst bij de kerstboom blijf zitten. Ik wil, hoe onrealistisch dat ook is, gevoelsmatig daar blijven waar hij nog leefde.

Het is een oud gevoel uit de tijd dat ik zoveel verdriet had om zijn dood, dat in deze maand steeds opnieuw naar boven komt. Het maakt niet uit of het één, twee of vijf jaar geleden is, ik voel het nog precies zo als toen; alleen komt het nu af en toe op en verdwijnt het weer, als een golf die vanuit het verleden opwelt en me overspoelt met haar zilte, prikkende water, om zich dan weer terug te trekken. Ik wil niet naar 21 januari, de dag waarop Lieve* geboren werd, maar meer nog wil ik niet naar 18 januari, de dag waarop de wereld voor mij verging. En toch ruimde ik dit jaar weer de kerstboom op om het onvermijdelijke toe te staan, dat de tijd doorgaat en dat ik in herinnering te horen krijg dat hij dood is. Toen, in 2010, wilde ik niet doorgaan na zijn dood, nu wil ik er niet naartoe. Uit het boek een stukje over loslaten.

“Ik weet nog goed hoe het voelde toen wij Lieve* moesten laten gaan en de sneeuw langzaam verdween. Als de tijd stil mag blijven staan is er niets om naar vooruit te kijken. Wanneer je een kind verliest is het juist de vooruitgang in de tijd die angst inboezemt. Je omgeving gaat verder. Jij blijft achter. Je uit alle macht vasthoudend aan het moment, om maar zo dicht mogelijk bij je kindje te blijven. Loslaten en verdergaan is kwijtraken. Zo dacht ik daar toen over. Ik was bang voor de lente die kwam.

En toen de bloembollen opkwamen lag er voor mij nog sneeuw. Het werd zomer en nog rilde ik van de kou. Zonder gevoel, verdoofd en passief gleden de maanden voorbij. Maar hoe meer de tijd mij door de vingers glipte, hoe meer mijn engel juist leek te verdampen. Daar op dat moment, in het verleden, daar was helemaal niets meer. Mijn gevecht tegen de dagen die verstreken was zinloos, ik had namelijk niets achtergelaten waarvoor ik in het verleden moest blijven.

Dat realiseerde ik me pas tijdens onze vakantie in Spanje dat jaar. Misschien wel net zo erg als het verstrijken van de tijd was het weggaan van de plek waar ik thuishoorde. Alsof ik mijn kind helemaal alleen liet in een leeg huis. De rest wel meenam, hun koffertjes inpakte en met versnaperingen achter in de auto installeerde. Waarop hij dan zielig thuis door het raam naar buiten zat te kijken, verdrietig dat we hem vergeten waren. Maar dat was natuurlijk helemaal niet zo.

Het kostte een klein meisje van vier jaar nog geen minuut om mij dat te laten zien. “Kijk mama, Lieve* is toch gewoon daarboven?”, wees zij wijs naar de Spaanse sterrenhemel, toen ik haar vertelde van mijn gemis. Ze had het zelf gevraagd, waarom ik zo verdrietig was. En zonder eromheen te draaien gaf ze mij nu niet alleen een antwoord, maar ook de verlossing. Samen keken we naar boven en filosofeerden over welke ster Lieve* zou zijn. En terwijl de tranen in de duisternis onzichtbaar over mijn wangen rolden, nam dat kleine meisje naast me mijn hand. De stilte die daarop volgde sprak duizend onzegbare woorden van troost en samen vonden wij hem, hoog in de hemel, als ster die net een beetje feller flonkerde dan de rest…”

Kaft 2b zonder snijrand

De kleine engel met kerstmis

wolkenschoolsneeuwIn een land hier ver vandaan, waar sneeuwvlokjes gewichtsloos op de wolken dwarrelen, woonde een kleine engel met glinsterend blauwe ogen en krulletjes van goud. Zijn vleugels schitterden in de winterse zon en veerden vrolijk op bij elke stap terwijl hij speels door het witte landschap huppelde. Hij droeg een wit kleedje en zijn armen waren bloot, want engelen hebben het nooit koud.
Het was vlak voor de kerst dat hij een avond vanaf de wolken naar beneden lag te turen; dat deed hij graag zo af en toe. De aarde is immers prachtig om naar te kijken. Hij lag plat op zijn buikje in het donzig wit, terwijl zijn ellebogen er kleine gaatjes in prikten en hij zijn lieve gezichtje in zijn handen legde.  En toen hij het landschap aan het bewonderen was, met haar blauwe rivieren en bergen zo hoog, haar uitgestrekte zandvlakten en het ijs op de polen, zag hij iets heel bijzonders. Overal ter wereld werden lichtjes ontstoken; vlammetjes van goud die een grote zee van warmte vormden. De kleine engel voelde zich op dat moment zo geliefd en warm, alsof die kaarsjes speciaal voor hem en zijn vriendjes brandden. Al gauw kwamen de andere engeltjes aan gevlogen, want zij hadden het ook gevoeld. En zo keken ze samen naar dat prachtige fenomeen dat de mensen samen maakten.

Een grote engel kwam langs gevlogen en bleef even staan bij de hemelkinderen. De kleine engel zag hem en vroeg: ‘waarom doen ze dat daar beneden?’. ‘Die lichtjes zijn speciaal voor jullie lieve kinderen,’ antwoordde de grote engel, ‘de mensen doen dat om jullie te gedenken. Zij koesteren vandaag in het bijzonder de herinneringen uit de tijd dat jullie nog geen engel waren.’ De kleine engeltjes waren diep onder de indruk. Een voor een sloten zij hun ogen en dachten aan hun papa’s en mama’s en broertjes en zusjes en ze zagen hoe zij ten midden van dat kaarslicht samen lachten en huilden. ‘Waarom huilt mijn mama?’ vroeg de kleine engel. ‘Omdat ze zoveel van je houdt,’ was het antwoord.

‘Ik zou zo graag even bij mijn mama willen zijn…’ Alle hemelkinderen keken op naar de grote engel met hun onweerstaanbaar lief gezichtje, twinkelende oogjes en licht gekrulde roze lipjes; en ze stelden zonder woorden allemaal dezelfde vraag. ‘Op kerstavond, lieve kinderen, mogen jullie even naar beneden om je familie te zien,’ beloofde de grote engel, ‘maar onthoudt dat de mensen jou niet kunnen zien.’ De kleine engelen konden hun opwinding natuurlijk nauwelijks bedwingen en spraken dagenlang over niets anders dan het bezoek dat zij aan de aarde zouden brengen. In hun enthousiasme hadden ze niet gehoord dat hun visite onopgemerkt zou blijven.

En zo gebeurde het dat kerstavond naderde en de kleine engelen zich klaarmaakten voor hun vlucht naar beneden. Zelfs boven in de wolken hoorden zij die dag de klokken luiden, voor hen het teken om een klein sprongetje op de rand van hun witte wereld te maken en al fladderend naar onder te vliegen. ‘Pas op daar beneden, want het stormt,’ had de grote engel gezegd voordat ze vertrokken, maar geen van de kleine engeltjes luisterde nog naar hem. Ze zouden er echter snel achter komen dat ze beter wel opgelet hadden.

Ook de kleine engel wipte voorzichtig van zijn wolkje af en zweefde langzaam naar de aarde. Al gauw voelde hij een stevige wind aan zijn kleine vleugels trekken en werd hij heen en weer geblazen in de storm. Hij buitelde en rolde in het duister, samen met de andere engeltjes, en raakte al tuimelend de weg kwijt. De natte vallende sneeuw liet hem voelen wat kou was en het duister leerde hem wat angst betekende. Hij was zo bang dat ‘ie zijn ogen sloot en wachtte tot het voorbij was. En zo viel de kleine engel als een vallend sterretje uit de lucht, tegelijk met de andere dappere hemelkinderen. Het duurde een tijdje voordat hij met een klein plofje de aarde raakte en zijn ogen open durfde te doen.

De kleine engel keek voorzichtig door de spleetjes van zijn oogleden naar het land waarin hij verzeild was geraakt en hij herkende helemaal niets dat hem aan zijn papa en mama denken deed. Zo zat hij een tijdje op de stoep, aan de kant van een wit bedekt grasveld dat uitkeek op een rijtje oude huizen en omringd werd door kale, lange bomen die hij niet kende. En toen deed hij wat alle kinderen doen wanneer ze de weg kwijt zijn; de kleine engel begon te huilen. Af en toe liep er iemand langs, maar telkens wanneer hij vroeg ‘heeft u mijn papa of mama gezien,’ bleef het stil. Aan de overkant liep een oudere dame die hem vaag bekend voorkwam en de kleine engel raapte al zijn moed bij elkaar, stond op en rende de straat over om haar te spreken. ‘Heeft u mijn papa of mama gezien’,  vroeg de kleine engel weer, maar de oude dame gaf geen antwoord. En terwijl hij opkeek naar haar gezicht, zag hij dat ‘ie zich vergist had. Hij kende deze dame niet en zij zag hem niet.

Hij barstte opnieuw in tranen uit en huilde tot er een klein plasje water aan zijn voeten stond, waar zijn warme tranen de sneeuw hadden gesmolten. Door zijn waterige oogjes zag de kleine engel een eindje verderop een gezin lopen met drie kinderen, dat hem aan het zijne denken deed. Hij rende zo hard hij kon naar hen toe, want vliegen ging niet meer met zijn natte vleugels, maar hoe dichter bij hij kwam, hoe meer hij zich realiseerde dat dit zijn familie niet was. De kleine engel kon de teleurstelling haast niet meer aan en plofte moedeloos neer in de sneeuw. Hij legde zich daar even te slapen en beloofde zijn mama morgen verder te zoeken.

De kleine engel sliep pas net toen hij vlak bij hem zacht gesnik hoorde. Hij deed zijn ogen open en zag een prachtige dame met lang, bruin krullend haar, die haar ogen depte met een zakdoek en de schouders verdrietig naar beneden liet hangen. Het hemelkind stond op om haar te troosten, maar dacht toen plots aan wat de grote engel had gezegd. ‘De mensen kunnen jou niet zien’. Hij begreep nu waarom niemand hem geantwoord had. Toch voelde hij zoveel meelij met haar dat ‘ie zijn vleugels uitschudde en zachtjes naar haar toe vloog om zijn hand op haar schouder te leggen. Hij gaf haar liefde, warmte en licht. Tot zijn verbazing draaide de prachtige dame zich om, alsof ze hem gevoeld had, maar ze zei niets. En dat hoefde ook niet. Ze droogde haar tranen en glimlachte naar het hemelkind; het was net of ze hem kon zien. De kleine engel keek haar diep in de ogen aan en zag dat zij een heel bijzondere moeder was; een moeder die vanavond bezoek zou krijgen van haar eigen engeltje.

Toen bedacht de kleine engel hoe hij zijn eigen moeder gevonden had, daar boven in de wolken, en hij deed weer precies zo als hij die avond had gedaan met al die lichtjes aan. Hij sloot zijn ogen en dacht aan zijn familie, aan hoe zij nu rond de tafel zaten en de kaarsjes wederom brandden, eentje speciaal voor hem. En terwijl hij dat dacht, was de kleine engel plots daar, precies waar hij zijn moest. Zijn broertje en zusjes speelden samen met papa en mama een spel, ze lachten en praatten, aten een hapje en dronken er wat bij. De kleine engel dacht even dat hij voor niets gekomen was, want ze hadden zoveel lol zonder hem, maar toen zag hij dat ze allemaal telkens even naar zijn kaarsje keken. Net alsof hij erbij was. En dat was hij ook.

De kleine engel zat daar de hele avond te genieten, zonder dat iemand hem zag. Het maakte hem zo gelukkig om zijn familie weer te zien, zo blij dat zij plezier hadden, dat hij zich helemaal warm voelde van binnen. En nadat de kinderen naar bed gingen, zaten papa en mama nog even op, met hem in hun midden. Hij zag hoe mama af en toe stiekem een traantje wegveegde en kroop bij haar op schoot, nestelde zich dicht tegen haar aan. Hij gaf haar warmte, liefde en licht. Ook zijn papa en mama gingen naar bed en het hemelkind legde zich tussen hen in, wachtte tot de lichten uit waren en alles helemaal stil en zei toen heel zachtjes ‘welterusten.’ ‘Welterusten…,’ antwoordde mama.

De buitenstaander: over onbegrip, onmacht en angst

pb021073.jpgToen ik hoorde dat mijn nichtje Ninnoc* levenloos geboren was, had ik juist een tentamen achter de rug en wilde net in de winterkou op mijn fiets stappen. Ik weet niet eens meer wat er door me heen ging, alleen dat ik die avond niet kon slapen. Ik kon eenvoudigweg niet geloven dat er kindjes zijn die dood geboren worden. Hoe erg ik dat ook vond, inleven kon ik me niet. Helemaal niet. Lees verder

Het tussenkamertje

En al die tijd heeft tweejarige Bram stilletjes aan dat tekentafeltje gezeten. Terwijl de wereld instortte.

Ik loop met hem naar de overkant van de straat, waar de dagopvang is, en bel aan. Nog steeds hoor ik mijn verontschuldigingen over waarom ik niet naar binnen kom om Bram zijn jasje uit te trekken: “Ik moet meteen weer gaan, naar het ziekenhuis, want het hartje van de baby klopt niet meer.” Het geschokte gezicht aan de andere kant van de drempel neemt Bram aan en zegt in eerste instantie niets. Haar mond staat gewoon open, een gapende leegte. Op de achtergrond voltrekt zich de drukte van alledag, spelende kinderen die het volume van hun stemmetjes testen en met felgekleurd speelgoed in de weer zijn. Ik hoor het lawaai niet, maar kijk ernaar alsof het een televisie is, zonder geluid. Seconden tikken voorbij, zonder dat er iets gezegd wordt. En dan herpakt degene aan de deur zich weer: “Ach nee toch, meid, ga maar gauw.”

Lees verder

Wanneer de wereld vergaat

Op haar verzoek ga ik liggen en ontbloot mijn buik. Toch telkens weer met zekere gêne, want de strijdwonden van mijn vorige zwangerschappen zijn duidelijk zichtbaar. Slecht bindweefsel zit in de familie, zei iemand mij ooit. Ik weet niet meer wie, maar feit is dat ‘strak in het vel zitten’ nu voorgoed tot het verleden behoort.

De verloskundige pakt haar doptone en zet het microfoontje op mijn buik. Het is alsof er een storm door het ding raast. Een hard ruisend geluid vermengd met klotsend water, zoals je dat tegen je roeibootje aan hoort breken als je verdwaalt op de Middellandse zee. Alleen het geluid van de vogels die hun aas daar stervend van de dorst in het water zien dobberen ontbreekt. Tenminste, zo stel ik mij dat dan voor.

Lees verder

Hel van de absurde realiteit

“Je hebt veel meegemaakt de afgelopen dagen,” zegt hij met een serieuze blik.
“Ja,” is alles wat ik daarop kan zeggen. Ondertussen bestudeer ik de manier waarop de man achter de tafel voor mij feilloos opgaat in het meubilair van de kamer. Het is een studeerkamer, donkerbruin met wat kunst aan de muur. Of wat ervoor door moet gaan althans. Zijn ernstige ogen weerkaatsen de inhoud van de geleerde boeken die bijna tot plafondhoogte een hele wand bedekken.
“Hoe voel je je daar nu onder?” vraagt hij een tijdje later. Er lijken minuten verstreken, alsof hij me even de tijd gaf aan de ruimte te wennen. Maar mijn gedachten kan de man toch niet lezen, anders hoefde hij geen vragen meer te stellen.
“Er zit een dode baby in mijn buik,” antwoord ik. En hoewel het geen antwoord is op de vraag die hij stelde, is dit het enige dat in mij opkomt. “Hij is al een paar weken dood, zeggen ze,” vul ik mijn stelling aan.

Lees verder

Duistere wolken zonder nieuws

Hoera! Ik ben vier ons, ja echt bijna een halve kilo, aangekomen. Haast euforisch stap ik na de kerstvakantie met de kinderen het schoolplein weer op. De koude wind en het stevige wolkendek boven de daken kan me niet deren nu. Voor het eerst weer met een goed humeur naar buiten, want het lijkt er toch echt op dat die buik begint te groeien. Dat ik me scheel heb gegeten de afgelopen week om die paar honderd gram eraan te krijgen, en nog steeds drie kilo minder weeg dan in het begin van de zwangerschap, doet er niet toe. Vandaag niet.

Lees verder

Gefluister op de voorgrond

Ik weet bijna zeker dat zijn hart vandaag stopte met kloppen.

Eerste kerstdag 2009. We ondernemen een lange trip richting Heiloo, familiebezoek. Het is hels weer op de terugweg en we zitten bijna drie uur in de auto. Er ligt sneeuw en het regent. Een echte donkere decemberdag. De lucht is even grijs als de autoweg. Het is alsof we door een tunnel rijden, meegezogen worden in een vacuüm van leegte. Kale bomen, saaie kantoorgebouwen en een enkel schreeuwerig reclamebord doemen op aan de kanten van de weg. De wind en regen ontnemen ons een groot deel van het zicht, dus rijden we op gevoel. Terwijl we door dit helse weer naar huis rijden kletsen we wat en de kinderen slapen. Sara en Bram hebben een drukke en gezellige tijd achter de rug. Die voornamelijk bestond uit een oude hond achterna zitten, rondjes rennen in de kamer en tekeningen maken in het atelier van mijn tante. Ze hebben zich kostelijk geamuseerd. En nu zijn ze doodop. Eindelijk rust.

Lees verder

Spieken op zwart-wit

‘Vandaag komt er een einde aan mijn mini-hel,’ denk ik onderweg in de auto. Eindelijk zal ik met eigen ogen zien dat alles goed is. Ik vertel het mezelf al weken: ‘Er is niets raars aan de hand met mijn ongeboren kind.’ De dagen tot dit moment zijn voorbij gekropen en tegelijkertijd opgegaan in een grote, grijze brei van twijfels, angst en tegenstrijdige gedachten. Momenten waarop ik teleurgesteld constateerde dat mijn broeken niet strakker zaten, werden opgevolgd door misselijke ochtenden die me blij maakten. Ik omarmde de pijn in mijn onderbuik van de groter wordende baarmoeder en verfoeide het ontbreken van enig contact tussen mij en mijn kind. Contact dat ik in vorige zwangerschappen, zelfs zo pril, wel had. Al was het maar in mijn dromen.

Het zweet loopt langs mijn rug.

Lees verder